BEL ME TERUG OF BEL 088 - 2450000 | Contact
Referenties
MB_1.jpgHoogveld_1.jpgDura-vermeer.jpgDJI.jpgBAM.jpgAB.jpgEnexis.jpgLogo Ce-EsterVolvo fabriek Gent IngeniumLogo VDV InspectiesLogo Brandweer TwenteLogo PostNL IngeniumLogo Kaercher IngeniumLogo Spie IngeniumLogo AldiLogo Ministerie van DefensieLogo DamenLogo Deventer ZiekenhuisLogo MennensLogo KentechLogo DAF TrucksDe Keurexpert

Bouwelektra

Bouwplaatselektro Ingenium

Bouwelektra

Op bouwplaatsen wordt op tijdelijke basis gebruik gemaakt van een elektrische installatie.

Afhankelijk van de behoefte kunnen dat eenvoudige of soms uitgebreide installaties zijn. Deze installaties kunnen soms enkele dagen, maanden of bij grotere infrastructurele projecten soms wel jaren in werking zijn.

De omstandigheden waarbinnen deze installaties werken kan verschillen. Regenbuien en ruwe situaties zijn geen uitzondering. Elektrocutie is een risico dat altijd aanwezig is in dergelijke situaties. Daarom is het niet vreemd dat er regels gesteld worden aan bouwelektra. Vanwege de vaak snel veranderende omstandigheden op de bouwplaats dienen de installaties periodiek onderhouden en gekeurd te worden.

Wetgeving en normering

Op bouwelektra zijn de volgende wetten en normen van toepassing.

Arbobesluit

Artikel 3.4 gaat in op de inrichting waar een tijdelijke elektrische installatie op een bouwplaats moet voldoen. Art. 3.5 stelt eisen aan degenen die werkzaamheden aan een bouwplaatsinstallatie moeten uitvoeren. In het Arbobesluit art. 3.29 worden nadere eisen gesteld aan een bouwplaatsinstallatie.

NEN 1010 en NPR 5310

Normen zijn niet wettelijk bindend, maar geven wel aan hoe een organisatie aan de wettelijke eisen kan voldoen. Ze worden gezien als de “stand der techniek / stand der veiligheid”. Wel kan het zo zijn dat een opdrachtgever een norm als verplichting stelt. Binnen bouwprojecten wordt eigenlijk altijd de NEN 1010 als eis gesteld. In NEN 1010 bepaling 704 en NPR 5310 staan de eisen op welke manier een tijdelijke elektrische installatie op bouw- en sloopterreinen kan worden samengesteld en opgebouwd. Het zijn concrete richtlijnen om een nieuwe tijdelijke installatie te ontwerpen, te bouwen, te installeren en te inspecteren.

NEN 3140

NEN 3140 is de norm waarin de bedrijfsvoering van laagspanningsinstallaties is vastgelegd. Bouwelektra valt onder de laagspanningsinstallaties. Ook wordt het elektrisch veilig werken geregeld in deze norm.

NEN-EN-IEC 60439

De NEN-EN-IEC 60439-4 is de norm waarin veiligheidseisen voor de laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen zijn vastgelegd. Een deel ervan gaat specifiek over bouwkasten, ook wel zwerfkasten of “paddestoelen” genoemd. 

Praktische invulling

Bouwaansluiting

Een elektrische installatie kan worden gevoed door aggregaten of middels het elektriciteitsnet.

Er moet voldoende stroom worden geleverd door de voedende installatie, vandaar dat een degelijk ontwerp noodzakelijk is. Rekening moet worden gehouden met het gevraagde vermogen, dus welke machines en gereedschappen op welk moment worden ingezet.

Het totale van de vermogens van alle afzonderlijke machines op de bouwplaats wordt in de elektrotechniek het opgesteld vermogen genoemd. Deze wordt weergegeven in kiloWatt (kW) of kiloVoltAmpere kVA). Bij berekening van het benodigde vermogen wordt altijd uitgegaan dat maar 70% van het vermogen op 1 moment wordt gevraagd. 

Bij complexere (lees grotere) installaties dient een degelijk plan door een elektrotechnisch opgeleide medewerker plaats te vinden. Het plan wordt eveneens gebruikt om bij het netbedrijf de bouwaanvraag te doen. Op basis van het plan wordt eveneens het aantal bouwkasten, de lengte en doorsnede van de kabels bepaald.

Bouwkasten

De elektrische installatie op een bouwplaats bestaat uit een of meerdere hoofdbouwkasten en sub-bouwkasten. De voeding van het netbedrijf komt binnen in de hoofdkast. Dit betreft een afgesloten deel dat alleen toegankelijk is voor het netbedrijf. Hierin wordt ook de elektriciteitsmeter geplaatst.

In het voor het bouwbedrijf toegankelijke deel van de hoofdbouwkast bevinden zich de hoofdbeveiligingen van de diverse afgaande groepen en worden de afgaande kabels aangesloten.

Afhankelijk van het type hoofdbouwkast en de grootte van de installatie worden afgaande kabels naar sub-bouwkasten en vast opgestelde machines verbonden door middel van:

  • vast aangesloten grondkabels;
  • leidingen aangesloten met CEE-stekker


De sub-bouwkasten worden van voeding voorzien via grondkabels of via leidingen met CEE-stekkers. Bouwkast zijn voorzien van beveiligingen zoals installatieautomaten en aardlekbeveiligingen. Dit kan ook een combinatie zijn (aardlekautomaat). Op de sub-bouwkasten worden de  elektrische arbeidsmiddelen aangesloten middels een stekkerverbinding.

Aandachtspunten:

  • Het is niet toegestaan om doorkoppeldozen te gebruiken voor het aansluiten van arbeidsmiddelen.
  • Een bouwkast moet te allen tijde zijn afgesloten.
  • De binnenzijde is niet toegankelijk zonder sleutel of zonder te schroeven.
  • Er mag geen vocht of vuil kunnen binnendringen (IP 44) , dit geldt ook voor contactdozen.
  • Een bouwkast moet zijn voorzien van hijsogen of draaghandvatten als de massa groter is dan 30 kg.
  • Een opstelplaats moet zodanig zijn dat tijdens werktijd de bouwkast eenvoudig is te bedienen en onderhouds- en bedieningswerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. Ook moet er altijd voldoende ruimte zijn om te kunnen vluchten in het geval van een calamiteit; daarom moet er minimaal 70 cm random vrij worden gehouden.
  • Op de hoofdbouwkast moet zijn aangegeven van waaruit deze wordt gevoed.
  • Elke bouwkast moet zodanig zijn uitgevoerd dat de totale installatie kan worden uitgeschakeld en kan worden vergrendeld.


Bescherming tegen stof en water

IP (International Protection) is een  internationale code voor de bescherming tegen het indringen van deeltjes (1e cijfer) en vocht (2e cijfer) wordt weergegeven. Hoe hoger de IP waarde des te hoger de beschermingsgraad. Op bouwplaatsen geldt minimaal IP 44 (beschermd tegen deeltjes groter dan 1 mm en spatwater- dicht). Voor sommige omstandigheden gelden hogere waarden, zoals voor een dompelpomp (IP 68).

Aardlekbeveiligingen

Een aardlekbeveiliging is een verschilstroommeter. Deze meet de stroom in de fase(n)en nul in een circuit. Theoretisch gezien moet het verschil nul zijn. In de praktijk zal er altijd een lek naar aarde plaatsvinden. Dit wordt een lekstroom genoemd. 

Als de verschilstroom boven een bepaalde waarde komt (de helft van de nominale verschilstroom van een aardlekbeveiliging; 15 mA voor een 30 mA aardlekschakelaar), dan schakelt de beveiliging uit. De spanning wordt hierdoor afgeschakeld. Het is dus logisch dat de aardlekschakelaar vaak uitschakelt als er veel arbeidsmiddelen zijn aangesloten.

Veel aangesloten toestellen kunnen een 30 mA aardlekbeveiliging dus spontaan laten uitschakelen. Om deze reden worden aardlekbeveiligingen AI 30 mA soms ook wel als “lastig” en ongewenst ervaren en is het onverstandig te veel toestellen achter een 30 mA aardlekbeveiliging aan te sluiten. Zou men 300mA aardlekschakelaars gaan toepassen dan zou bij aanraking van een onder spanning staand arbeidsmiddel de installatie niet uitschakelen. De conclusie is dat alleen een 30mA aardlekschakelaar een persoonsbeveiliger is.

Eisen ten aanzien van het gebruik van aardlekbeveiligingen

30 mA aardlekschakelaars zijn verplicht voor alle afgaande groepen met contactdozen I < 32 A en andere ketens, waarop elektrische arbeidsmiddelen worden aangesloten. 300 mA aardlekschakelaars mogen worden toegepast bij contactdozen I > 32 A.

Vast aangesloten kabels tussen bouwkasten, overwegend ten behoeve van de distributie van elektriciteit, hoeven dus niet te zijn beveiligd met aardlekbeveiligingen. Gelet op de risico’s is het wel aan te raden dit te doen. 

De NEN 3140 vereist dat afzonderlijk aangesloten arbeidsmiddelen of kleine tijdelijke installaties, bijvoorbeeld bij een verbouwing in een woning, achter een 30 mA aardlekschakelaar moeten zitten. In oudere woningen is dat soms niet het geval. Er dient dan een 30 mA aardlekbeveiligingen in het circuit opgenomen  te worden.

Kabels en leidingen

Kabels vormen een verbinding tussen bouwkasten onderling, maar ook tussen kasten, keten, betonmixers, bouwverlichting, arbeidsmiddelen, etc.

Kabels voor vaste montage zoals grondkabels zijn stug. Dis is nodig om de kabel tegen graafwerkzaamheden te beschermen. Als grondkabels worden hergebruikt dan dienen ze vanzelfsprekend te worden gekeurd. Ook is het van belang dat de isolatieweerstand wordt gemeten. Dit om doorslag en sluiting  te voorkomen. Er zijn vele materiaal/kabelsoorten beschikbaar.

Het is toegestaan om kabels in de grond te verwerken mits aan de volgende eisen wordt voldaan:

  • De kabels dienen op een minimale diepte van 0,50 m te liggen;
  • De kabelloop is op een tekening vastgelegd en beschikbaar op de bouwlocatie;
  • De kabelloop is gemarkeerd m.b.v. piketpalen, welke verbonden zijn met een lint;
  • Graven is alleen toegestaan na toestemming en onder toezicht.
  • Alleen YMvK-as of gelijkwaardig toepassen.


Er zijn eveneens vele buigzame kabelmaterialen beschikbaar. Deze kabels worden doorgaans gebruikt als verbinding van de hoofd- en/of onderverdeelkast naar de verplaatsbare zwerfkasten, en naar de arbeidsmiddelen.

Bij het toepassen van buigzame verplaatsbare leidingen zijn de volgende zaken van belang:

  • Kabels moeten zodanig geplaats worden dat de kans op beschadiging minimaal is;
  • Als kabels op hoogte geplaatst worden dient “doorhangen” voorkomen te worden. Plaats dus voldoende ophangbeugels;
  • Boven (bouw)wegen dienen de kabels op voldoende hoogte geplaatst te zijn (plaats indien nodig een waarschuwingsbord);
  • Kabels van elektrisch handgereedschap dienen dezelfde kwaliteit te hebben, dit mag wel een lichtere versie zijn;
  • Vinylkabels (huishoudelijke kwaliteit) mogen niet worden ingezet in de bouw. 


Werken in nauwe geleidende ruimten

Het werken in besloten ruimten zoals kruipruimten, putten, sleuven of geaarde tanks en hij er worden elektrische arbeidsmiddelen ingezet dan is er een vergrote kans op elektrocutiegevaar. Dit geldt natuurlijk ook voor werkzaamheden op metalen bordessen.

Bij het werken in deze situaties worden specifieke eisen gesteld aan elektrische werkzaamheden:

  • Handgereedschap dien bij voorkeur accugereedschap te zijn. Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van 24V / 48V toestellen aangesloten op een veiligheidstransformator (< 50 V). Als laatste alternatief kan gebruik worden gemaakt van 230 V handgereedschap klasse II of I met geïsoleerde handgrepen, aangesloten op een scheidingstransformator. Per transformator mag maximaal 1 arbeidsmiddel zijn aangesloten. De transformator moet opgesteld worden buiten de nauwe geleidende ruimte.
  • Verplaatsbare elektrische arbeidsmiddelen van klasse I, dat gezien het vermogen of werking niet kan worden aangesloten op een veilige zeer lage spanning of op een beschermingstransformator) dient achter een 30mA aardelkschakelaar te worden geplaatst. De aardlekschakelaar dient periodiek gecontroleerd en gekeurd te worden.
  • Verplaatsbare verlichting: alleen verplaatsbare lampen, die functioneren op accu’s, batterijen of op een veiligheidstransformator (< 50 V) mogen worden toegepast. Looplampen of handlampen die functioneren op 230 V mogen in een nauwe geleidende ruimte niet worden toegepast, ook niet aangesloten op een beschermingstransformator. 


Bouwverlichting

Bouwverlichting, zoals terrein- en oriëntatieverlichting wordt gezien als een gemeenschappelijke voorziening. De hoofdaannemer is hier dus verantwoordelijk voor. De zogenaamde prikkabel, slangverlichting en lampen in een loshangende fitting zijn gevaarlijk, storingsgevoelig en niet toegestaan op een bouwlocatie.

Deskundigheid

Als er werkzaamheden aan de bouwelektra wordt verricht dan dienen deze medewerkers hiervoor opgeleid en schriftelijk aangewezen te zijn. Zie hiervoor ook het specifieke Ingenium Kennisbank artikel over het aanwijzingsbeleid.

Periodieke controle en inspectie

Voordat een elektrische installatie wordt vrijgegeven aan de medewerkers op een bouwlocatie, moet deze worden gekeurd. Dit moet gebeuren door een deskundige, opgeleide en daartoe bevoegd persoon.

Bij een installatie en bij het gebruik van de arbeidsmiddelen is het conform het Arbobesluit verplicht om periodieke keuringen uit te (laten) voeren. Dit om de veilige staat van de bouwelektra en de arbeidsmiddelen te waarborgen.

Storingen

Tijdens de bouwwerkzaamheden zullen storingen optreden Storingen doen zich meestal voor in het verplaatsbare deel van de installatie, onder andere:

  • Isolatiefouten in handgereedschap (meestal door vocht en vervuiling) en beschadigde leidingen in combinatie met vocht zorgen er voor dat de aardlekbeveiligingen de betreffende groep of kast uitschakelen.
  • In de winterperiode worden veel storingen veroorzaakt door verwarmingstoestellen en halogeenlampen.
  • Het doorkoppelen van zwerfkasten en het gebruik van haspels achter elkaar is gevaarlijk. Door de verhoogde circuitweerstand bestaat er een grote kans dat bij een sluiting in een aangesloten toestel of in een kabel de beveiliging in de bouwkast niet meer aanspreekt. Het toestel staat dan mogelijk onder spanning en blijft onder spanning staan.


Het omgaan met beveiligingen in bouwkasten

Bouwkasten zijn voorzien van beveiligingen zoals zekeringen, installatieautomaten en aardlekschakelaars. Als een beveiliging aanspreekt dan wordt deze vaak zo weer ingeschakeld. Dit is onderstandig. Beter is het om te beoordelen wat de oorzaak is.

Het vervangen van zekeringen door andere met een hogere stroomwaarde “zodat hij maar niet uitschakelt” is verboden in de Arbowet.

Publieke veiligheid

Bouwwerkzaamheden vinden vaak plaats in een stedelijke omgeving. Hier lopen, werken en leven mensen.  Het is uiteraard verplicht een bouwplaats af te zetten door middel van een deugdelijke en effectieve afzetting. Daarnaast is het ook verplicht na afloop van de werkzaamheden de bouwelektra uit te schakelen. Let op dat onbevoegden (kinderen) deze niet op een eenvoudige wijze weer kunnen inschakelen.

Maak op zwerfkasten, waarop bijvoorbeeld bronnering is aangesloten, een afsluitbare overkapping, zodat de overige contactdozen niet ongewild gebruikt kunnen worden. Kastopstellingen dienen stabiel te zijn.

Bij projecten van groot onderhoud komt het vaak voor dat het bouwterrein (openbaar gebied) niet of maar gedeeltelijk af te sluiten is. Bij pauzes blijven de zwerfkasten, haspels, bouwliften en cirkelzagen vaak onbeheerd en onder spanning achter. Dit is verboden. De hoofdschakelaar van de zwerfkasten dient uitgeschakeld en vergrendeld te worden.

Bron: Abomafoon